De grote Vlaamse schrijver staat vast tussen Roosendaal en Etten-Leur en bedenkt zomaar drie geniale oplossingen voor het fileprobleem.

Het grootste probleem in deze tijden, met name in de moderne democratisch-kapitalistische wereld, is het verkeer. Per dag zijn er meer files op onze wegen dan er idioten rondlopen in Etten-Leur, dus dat wil wat zeggen. Over Etten-Leur gesproken. Ik zat ’ns in m’n auto op de snelweg tussen Roosendaal en Etten-Leur, en wat dacht je? File zo ver je kon kijken.
Een verstandig mens zal zich inmiddels afvragen wat ik in Etten-Leur moest uitvreten. Nou, vorige maand heb ik een Etten-Leurs meisje leren kennen op een rondreis in Noord-Holland, en niet lang daarna ging ik haar ter plaatse bezoeken. Een verstandig mens zal zich inmiddels afvragen waarom dat mokkel niet naar mij in Gent kon komen in plaats van ik naar haar in Etten-Leur. Wel, ze verplaatst zich nogal moeilijk vanwege haar rolstoel. Wat is er gebeurd? Niet veel, behalve dat Teuntje, zoals het meisje heet, op een goeie dag van haar paard is gevallen. Of eerder geslingerd. Vallen klinkt te simpel voor wat Teuntje overkwam, vandaar dat ik het woord slingeren gebruik. Ik kan net zo goed het woord katapulteren gebruiken.
Het was zo dat Teuntje een ritje maakte op de rug van haar fiere hengst Prins Claus. Deze hengst was, weliswaar als veulen, geboren op de dag dat prins Claus overleed, en vandaar z’n naam, hoewel Teuntje hem liever de naam Flikker had gegeven, omdat, volgens haar, Prins Claus bij z’n geboorte een nogal verwijfde, ja zelfs nichterige indruk maakte. Vraag mij niet op welke manier een pasgeboren paard er nichterig uitziet, want ik heb geen verstand van paarden, maar Teuntje dus wel.
Maar goed, Prins Claus groeide al gauw uit tot een volwassen dier, en Teuntje had hem z’n verwijfde maniertjes afgeleerd door hem allerlei typisch mannelijke dingen te laten doen, zoals merries bevruchten, met het schuim om de mond stompen en trappen naar ongeveer alles wat beweegt en bier drinken. Zelf vind ik het niet verstandig om een paard bier te laten drinken, en dat zou blijken ook: op de fatale dag ging Teuntje rijden, toen Prins Claus totaal bezopen was, en op het moment dat ze met een snelheid van vijftig kilometer per uur door het gemeentelijk bos van Etten-Leur vlamden, had Prins Claus er plotseling geen zin meer in en hij stopte abrupt met rennen, zodat Teuntje van z’n rug werd geslingerd, of zo je wil gekatapulteerd. Twintig meter verder sloeg ze ongeveer te pletter tegen een boom, terwijl Prins Claus ondertussen flink stond over te geven, want eerlijk gezegd kon hij niet zo goed tegen veel te veel bier drinken. Afijn, geen wonder dat Teuntje in een rolstoel terechtkwam, en Prins Claus werd naar een ontwenningskliniek voor alcoholische paarden in Schiedam gebracht, waar hij nog lang en gelukkig leefde.
Zoals gezegd leerde ik Teuntje kennen tijdens een rondreis in Noord-Holland, meer bepaald toen we in Amsterdam in dezelfde toeristenboot zaten. Hoe ze zich in haar rolstoel een weg had gebaand door Amsterdam en op die boot was gesukkeld, het is me een raadsel, maar hoe dan ook was de rondvaart zo saai dat we een gesprek begonnen met elkaar, waaruit bleek dat we veel gemeen hadden, onder meer een voorkeur voor gebraden eend in de sinaasappelsaus, een grote belangstelling voor de filatelie in de Tweede Wereldoorlog, en een rabiate bewondering voor wijlen Harry Mulisch. ‘Ik heb Harry Mulisch ooit nog in het echt ontmoet,’ zei ik tegen Teuntje. ‘Wat was hij voor een man?’ vroeg ze. ‘Harry was een eenvoudige, ongecomplexeerde kerel,’ zei ik, ‘en wil je nu wat weten? Noem het toeval, noem het lotsbestemming, maar hij had een enorme voorkeur voor gebraden eend in de sinaasappelsaus en een grote belangstelling voor de filatelie in de Tweede Wereldoorlog.’ ‘Dat meen je niet,’ zei Teuntje, maar ik meende het wél, en vanaf dat moment kon wijlen Harry Mulisch natuurlijk totaal niet meer stuk bij mij en Teuntje.
Het enige nadeel van een Jaguar XJ is dat je, als je ermee in de file staat, praktisch geen meter opschiet
Zij en ik wisselden telefoonnummers uit, en op een keer belde ze mij op, en vroeg: ‘Kom je volgende vrijdag bij mij thuis in Etten-Leur, Herman? Ik ben jarig en geef een feestje.’ Daar moest ik eerst toch even diep over nadenken. Ten eerste, Etten-Leur is een roteind van Gent, ten tweede, op vrijdag ben ik normaal gezien niet vrij omdat ik dan de hele tijd in de synagoge zit om te bidden, en ten derde, ik ben niet zo dol op feestjes. Het is altijd hetzelfde verhaal als ik een feestje bezoek. Ten eerste, ik drink me binnen het uur zo lam als een galeier. Ten tweede, na ongeveer een uur en vijf minuten kan ik het niet laten om een aansteker bij m’n ontblote reet te houden en een kanjer van een scheet te laten, zodat er een gigantische steekvlam ontstaat. En ten derde, op het einde van de avond naai ik meestal de gastvrouw achterwaarts in de poes, en als de gastvrouw niet wil, dan naai ik om het even welke andere trut wel achterwaarts in de poes, of ze er godverdomme zin in heeft of niet.
Maar ik zou het hebben over de moderne verkeersproblematiek. Inderdaad, nadat ik had besloten alsnog naar het feestje van Teuntje te gaan, zat tussen Roosendaal en Etten-Leur het verkeer compleet muurvast. Ik zat me derhalve verschrikkelijk op te winden in m’n Jaguar XJ.
Een verstandig mens zal zich inmiddels afvragen hoe ik aan de poen kom om zo’n dure bak als een Jaguar XJ aan te schaffen. Men mag echter niet vergeten dat ik een bijzonder succesvol schrijver ben. Ik zal het nog sterker uitdrukken: van mij worden meer boeken verkocht dan van wijlen Harry Mulisch. Ik kan dat bewijzen, want ik heb gisteren nog persoonlijk de proef op de som genomen.
Ik ging naar boekhandel De Drukfout in Gent, en ik vroeg aan Schele Jef, de uitbater: ‘Zeg eens, Schele Jef, hoeveel boeken heb je vandaag al verkocht van wijlen Harry Mulisch?’ ‘Van wie?’ vroeg Schele Jef. Hij is weliswaar de uitbater van een boekhandel, maar veel verstand van literatuur heeft hij niet, zodat we hem gerust een typische Vlaamse boekhandelaar kunnen noemen. ‘Wijlen Harry Mulisch,’ zei ik, ‘de beroemde schrijver van zulke kleppers als Twee vrouwen, De pupil en De ontdekking van de hemel.’ ‘Van die eikel heb ik nu nog nooit gehoord,’ zei Schele Jef, ‘dus ik kan bijna met zekerheid zeggen dat ik vandaag nog geen enkel boek van hem verkocht heb.’ ‘En van mij?’ vroeg ik. ‘Eentje,’ zei hij, ‘je laatste roman, waarvan ik trouwens de titel vergeten ben.’
Wat die titel is, is in deze context niet belangrijk, wat ik maar wil zeggen is dat voor elke nul boeken die van wijlen Harry Mulisch worden verkocht, er één van mij wordt verkocht, dus op den duur loopt dat aardig op en verdien je voor je het beseft genoeg geld om er een Jaguar XJ van te kopen.
Het enige nadeel van een Jaguar XJ is dat je, als je ermee in de file staat, praktisch geen meter opschiet. Echt waar, ik word woest van files. Maar zoals altijd probeerde ik, ook daar op de snelweg tussen Roosendaal en Etten-Leur, te kalmeren en op den duur lukte dat, zeker toen ik me, alsof het een schitterende droom betrof, voorstelde hoe ik samen met een geheel naakte Carice van Houten op een galopperend paard zat en ineens stopte dat paard abrupt, zodat Carice van Houten eraf werd gekatapulteerd, maar ik om de een of andere reden niet, en ik bleef helemaal ongedeerd, wat toch altijd weer een prettige gedachte is, want ik zeg altijd: je kan beter ongedeerd blijven dan tegen een boom te pletter slaan. Ik moet er wel bij zeggen dat in mijn dagdroom Carice van Houten na een weekje of drie het ziekenhuis alweer mocht verlaten, kortom, ook voor haar liep het hele avontuur nog goed af, al heeft ze wel pijnlijke steken in haar beide knieën elke keer als het regenachtig weer is.
Op den duur had ik mij erbij neergelegd dat er tussen Roosendaal en Etten-Leur nu eenmaal een nagenoeg onoplosbare file stond, en vervolgens hield ik me bezig met na te denken over hoe men het fileprobleem zou kunnen oplossen. Als eerste oplossing schoot door mijn gedachten dat het voortaan verboden moet worden aan vrouwen, moslims en homoseksuelen om zich in de auto voort te bewegen. Ik geef het toe, het zou een heel drastische oplossing zijn, maar je kan er niet omheen dat er in dat geval veel minder auto’s op de weg zouden zijn.
Het is niet toevallig dat de auto als vervoermiddel zeer vaak gebruikt wordt door uitgerekend vrouwen, moslims en homoseksuelen. Vorige dinsdag zag ik zelfs een auto door Gent rijden met een vrouw achter het stuur, naast haar als passagier een moslim, en op de achterbank zat een homoseksueel. Een verstandig mens zal zich inmiddels afvragen hoe ik wist dat die man een homoseksueel was. Omdat hij godbetert naar mij keek alsof ik een lekkere brok was. Nu kan ik veel verdragen, maar door homoseksuelen beschouwd worden als een lekkere brok, dat is me een brug te ver. Het kan nog altijd erger: ook die passagier vooraan in de auto, die moslim dus, bekeek mij alsof ik een lekkere brok was. Alleen die vrouw bekeek me níét alsof ik een lekkere brok was, en dat maakte me zo pissig dat ik mijn middelvinger naar haar opstak.
Minder welgestelden hebben niets te klagen, vind ik
Oké, ik kan me voorstellen dat mijn voornoemde voorstel, mede door de onwil van de politiek, geen doorgang zal vinden, en daarom heb ik nog een ander voorstel, dat ik geleend heb van Guggenheimer. Guggenheimer is het hoofdpersonage in vier boeken van mijn hand, en in het voorlopig laatste boek daarvan, getiteld Guggenheimer in de mode, zit hij ook continu in de file en daarom is z’n oplossing dat in het verkeer alleen auto’s worden toegelaten die gebouwd zijn vóór 1940. Zelf verplaatst hij zich in een Minerva uit 1934, dus hij zou alleszins mogen blijven rijden.
Ik vind het een fantastische oplossing, maar ik vrees dat het serieuze tegenkanting zou kunnen krijgen van groene jongens, ecologisten en andere naïeve klootzakken die op onzinnige wijze de natuur willen beschermen, want uiteraard zullen ze komen aankakken met termen als veel te hoge CO2-uitstoot en al die bullshit die nergens op slaat. Akkoord, auto’s van voor 1940 vervuilen de lucht misschien een ietsje meer dan moderne auto’s, maar ten eerste, esthetisch zijn ze veel mooier dan de moderne auto’s en het oog wil ook wel wat, ten tweede, ze zijn veel trager dan de moderne auto’s en er zullen dus veel minder voetgangers door hoge snelheden van het zebrapad worden gemaaid, en ten derde, nou ja, ten derde schiet me zo direct niet te binnen, maar ten eerste en ten tweede volstonden wel al, dus waar zouden we ons een buil aan vallen?
Ondanks al deze argumenten zal de onwil van de politiek er wel weer voor zorgen dat het voorstel van Guggenheimer geen doorgang vindt, en daarom bedacht ik, in de file tussen Roosendaal en Etten-Leur, nog iets anders. Namelijk, zou het geen goed idee zijn om iedereen die in de file staat een zeer hoge boete te geven? Ik begrijp dat op die manier vooral de minder welgestelde mensen het slachtoffer zullen worden van deze maatregel, maar zeg eens, al die minder welgestelde mensen moeten maar niet te veel praatjes hebben. Ze mogen dan wel minder welgesteld zijn, maar voor de rest hebben ze niks te klagen, vind ik, zeker niet in de democratisch-kapitalistische wereld. Ze kunnen ziekteverzekering krijgen, werkloosheidsuitkering, kindergeld, en wat niet nog allemaal. Als ze de hoge fileboetes niet kunnen betalen, dan is dat hun probleem, of anders moeten ze maar besparen op andere dingen, zoals iPhones, iPads, breedbeeldtelevisies, een eigen huis, elk seizoen nieuwe schoenen voor de kinderen en goedkope wijn, want het is geen geheim dat vele minder welgestelde mensen zich te pletter zuipen aan bocht van vier euro voor een fles.
Dat hele Teuntje kan de pot op
Ik zat dit plan nader uit te werken toen er opeens beweging kwam in de file. Ja, na een paar honderd meter konden we een snelheid bereiken van ongeveer veertig kilometer per uur en ik rekende uit dat ik misschien wel nog op tijd zou zijn voor het feestje van Teuntje. Daardoor moest ik ineens weer aan dat Teuntje denken. Eigenlijk was ik niet zo dol op dat meisje. En dat heeft niks te maken met het jammerlijke feit dat ze in een rolstoel zit. Er zijn heus wel mensen in een rolstoel die heel leuk zijn. Ik kan niet meteen een dergelijk iemand opnoemen, maar ze bestaan heus wel.
Teuntje was echter niet leuk, en die keer, op die rondvaartboot in Amsterdam, had ik trouwens tussen de regels door haar kennis getest van de filatelie in de Tweede Wereldoorlog, en die kennis bleek behoorlijk tegen te vallen. Ze wist niet eens dat er in 1943 in Duitsland een postzegel was uitgegeven met daarop de beeltenis van Heinrich Himmler terwijl hij een bord gebraden eend in de sinaasappelsaus zat te verorberen. Weet je wat, dacht ik bij mezelf, ik rijd hier van de snelweg, maak een toertje en rijd er dan weer op, maar dan in de omgekeerde richting, en dat hele Teuntje kan de pot op.
Zo gezegd, zo gedaan, en tien minuten later reed ik weer in de richting van Roosendaal, en een uur later reed ik al in de richting van Gent, want of je het gelooft of niet, het verkeer verliep heel vlot en bij nader inzien valt het met de verkeersproblematiek van tegenwoordig misschien nog heel goed mee en moeten we ons daaromtrent voorlopig geen zorgen maken.
bron: Vrij Nederland
illustratie: Erik Kriek