De Mooie Jonge Oppergod van de Vlaamse Letteren
Header

De groei op de rug

juli 26th, 2015 | Posted by hermanbrusselmans.com in Nieuws - (Reacties staat uit voor De groei op de rug)

Alles wat verkeerd gaat, heeft als oorzaak de ontoereikendheid van de liefde

Ik zei tegen de tandarts: ‘Sla er maar een paar uit m’n muil. Doch alle gekheid op een stokje. Heb ik geen prachtig gebit, dokter? Je kan bij wijze van spreken in m’n mond van de vloer eten. Zo, dit was het dan weer. En nu ausgeradiert. Met je boor en je vullingen. Ga toch naar huis, man, en laat je nakijken. En let op, geen gouden tanden op een hoop gooien!’ De tandarts moet hebben gemerkt dat hij te maken had met een man die geestelijk niet helemaal in orde was, want hij ried me aan om een therapeut te bezoeken. Maar eerst keek hij, nu ik daar toch was, m’n gebit na en hij moest toegeven dat het een gebitje uit de duizend was. Ik moest hem zelfs maar 35 euro betalen. In deze tijd is dat een habbekrats.

In 1903 kon je voor 35 euro een hele kruiwagen knielappen kopen, maar thans is het een schijntje en derhalve bedankte ik de tandarts door afscheid van hem te nemen. Een therapeut, allemaal goed en wel, maar waar vind je die? Zitten die niet allemaal ondergedoken in het getto van Warschau? Verdomd nog aan toe, je mag de Duitsers niet onderschatten, noch de Wehrmacht, noch de SS, noch de Gestapo, noch de Einsatzgruppen, noch de schrijver-dichter Wolfgang Amadeus Goethe, van wie dan wel wordt beweerd dat hij Mozart heet, maar let op! De moffen bedienen zich van schuilnamen! In iedere Horst kan je een Ullrich zien en in iedere Maria een Gertrude, soms zelfs in iedere Ullrich een Gertrude, maar dan zit je in dat deel van Duitsland, overigens het grootste deel van dat land, waar iedereen een travestiet, een transgender of simpelweg een homo is. Niet dat we iets tegen homo’s hebben. Tom Lanoye en zijn gozer René Los zijn onze beste vrienden. En Lieven Vandenhaute en hoe heet hij, de auteur die iedere keer dat een andere auteur is gestorven een lijkrede uit z’n botten slaat die wel anderhalf uur kan duren zodat alle aanwezigen rond de kist denken: Erwin Mortier, wil jij godverdomme wel eens doodvallen met je gelul. Juist ja. Alles wat verkeerd gaat, heeft als oorzaak de ontoereikendheid van de liefde. Je zou mijn parcours moeten zien. Duizenden vrouwen heb ik willen liefhebben, en slechts twee van hen schonken mij enige liefde terug, waarna ze eieren voor hun geld kozen en hopla, daar zag je hen reeds rennen over het hazenpad, en ik achter hen aan, maar door al dat roken verloor ik terrein, en toen die vrouwen al lang achter de horizon verdwenen waren lag ik uitgeput op de grond, snakkend naar adem, hijgend als een trekhond wiens longen zonet chirurgisch werden verwijderd door een Oberleutnant mit seinem Messer. En zonder verdoving uiteraard, want er wordt altijd beweerd dat de nazi’s dierenvrienden waren en het tegendeel is waar. M’n grootvader Frans, die twee wereldoorlogen heeft medegemaakt en ten slotte in de jaren 60 is gestorven aan een ontsteking van z’n miltvuur, zei tegen mij: ‘De nazi’s? Dierenbeulen, mijn jongen! In 1942 hebben ze al m’n vliegen doodgeslagen en in 1943 al m’n muggen. Gelukkig had ik m’n bedwantsen en m’n duizendpoten laten onderduiken bij een boer in Groningen.’

Volgens mij was m’n grootvader Frans niet helemaal zuiver in z’n hoofd en had hij een therapeut nodig. Maar in die tijd kon een eenvoudige paardenhandelaar zich geen therapeut veroorloven. Het waren arme tijden. Geen enkele therapeut kon zich een paard veroorloven. En een paar therapeutische sessies in ruil geven voor een paard aan een paardenhandelaar, daar waren de therapeuten veel te arrogant voor. Iedereen die tot taak heeft de geestelijke onmacht van een medemens ten goede te keren is een klootzak. Nou ja, iedereen is een klootzak. En iedere vrouw is potentieel een wezen dat eerst achter een struik schijt en vervolgens de eerste de beste man bij de lurven grijpt en hem met z’n smoel in haar stront duwt. Toch is het leuk om verliefd te zijn. Thans heb ik vlinders in de buik voor een ongeveer 27-jarig meisje uit Desteldonk. Ik zou dat hele Desteldonk niet eens kunnen aanwijzen op de wereldbol. Niettemin ga ik dat meisje binnenkort thuis bezoeken en ik zal voor haar moeder een doos pralines ten geschenke medenemen, en voor haar vader een schup tegen z’n vorte kloten. Met dat meisje trouwen zal ik niet doen, omdat een huwelijk eine Vernichtung der ewigen Warten ist. En seks zal ik ook niet met haar hebben, want van seks krijg ik vieze tanden en alwéér naar de tandarts gaan, daar pas ik voor. De 35 euro’s groeien mij niet op de rug.

bron: humo.be

Het publiek

juli 6th, 2015 | Posted by hermanbrusselmans.com in Nieuws - (Reacties staat uit voor Het publiek)

Door het terugverlangen naar 1967 word ik nog meer bezwaard dan door wat dan ook.

Met de song ‘Streets’ van Kensington op repeat zat ik ’s nachts op m’n Ikea-bank. Hier en daar zullen een paar tienduizenden verdwaalde zielen opmerken: zit jij werkelijk naar de song van een Hollandse groep te luisteren, de song van een paar pipo’s uit het ontoereikende Utrecht? Ja, daar zit ik naar te luisteren. Het is in mijn oren een topsong, waarvan de intro weliswaar gejat is van Therapy?, maar dat mag van mij. Je kunt beter jatten van Therapy? dan van om het even wie. In de clip bij ‘Streets’ zie je twee prachtige meisjes, een blondine en een brunette, en er wordt lichtelijk gesuggereerd dat ze iets lesbisch met elkaar hebben, maar hun relatie lijkt hoe dan ook gestoeld op diepe vriendschap en uitgewisselde puurheid.

Ik zou die meisjes graag in het echt zien, hen ontmoeten, met hen praten. Vooral de brunette zou ik graag in m’n buurt voelen opduiken. Ik ken een boel Nederlanders, onder wie beleidsmensen, verantwoordelijken en geconnecteerden, en het moet toch mogelijk zijn om via hen uit te vinden wie de brunette uit ‘Streets’ is, en haar vervolgens uit te nodigen hier in Gent, iets te gaan eten in Het Keizershof, daarna naar m’n kleine doch gezellige loftje blablabla, en op m’n Ikea-bank voelde ik veel pijn, angst en verlangen naar de dood. Het is niet anders, het leven heeft het met mij gehad en vice versa. Ik kan naar ‘Streets’ luisteren zoveel ik wil, en brunettes ontmoeten à volonté, en onderwijl sigaretten roken tot m’n longen knarsen, maar door dat alles zal ik niet gered worden.

Het enige alternatief voor de dood is de terugkeer naar 1967, toen ik een gastje van 10 jaar was en nog niet bevroedde dat je als man van 57 kunt verlangen naar het niets – hoewel ik, achteraf bekeken, met m’n grootouders voorbeelden genoeg tot m’n beschikking had. Alle vier m’n grootouders waren het tegenovergestelde van levensgenieters. Ze waren aan de drank, ze zaten vol demonen, ze overwogen zelfmoord, ze waren gevuld met woede, haat en diepe, diepe tristesse. M’n vader had het ook, maar minder, en m’n moeder had het ook, en zij verbeet het en probeerde de negativiteit te vervangen door zorg, liefde en hoop. Zij stierf jong. Als iedereen mij achterlaat, wat iedere dag gebeurt, dan zie ik m’n moeder voor mij in 1967, in de zomer van dat jaar. M’n moeder draagt haar bloemetjesjurk, en ze glimlacht, en haar hart en haar ziel schrijnen, maar ze blijft glimlachen. Mama, bedankt dat je glimlacht, en bedankt dat de zon schijnt, en bedankt dat alles goed is. Maar alles was níét goed, en gelukkig had ik nog niet de kracht om dat onder ogen te zien. Eigenlijk word ik door het terugverlangen naar 1967 nog meer bezwaard dan door wat dan ook. Het blijft hier ondanks alles de opklimmende, vermaledijde 21ste eeuw, en straks ben ik 60, en zit ik nog steeds op de Ikea-bank, en verschijnt er geen enkele brunette uit een Hollandse clip in m’n buurt. Ik maak mee hoe de uren zichzelf opstapelen, en wat is hier in godsnaam aan de hand?

Ik heb de neiging om naar buiten te gaan, maar de junikilte heerst, en allicht is nergens een ander wezen van vlees en bloed te bespeuren, tenzij misschien een boze rat, die de oevers van de Leie beu is, en maar eens de stad probeert, misschien valt daar wel wat te knabbelen, aan de pezen en spieren van een door de duisternis lopende eenzaat, een man tegen wie iemand van wie hij hield, laatst zei: ‘Ik vind het niet leuk dat je mij aanraakt.’ Dat zei ze op het Veerleplein, onder de open zon, en dat ze het zei lachte ik weg, grapjes van ex-geliefden onder elkaar, weet je wel, maar ik vond het níét grappig, natuurlijk niet, het kwetste mij, en ik zei: ‘Je tram is daar.’ Ze stapte op de tram, en zij in de tram en ik op het Veerleplein wuifden nog even vaagweg naar elkaar. Later zit ik, in de nacht van Kensington, op de Ikea-bank, en het is nog maar vier uur, en ik heb voor de rest niet veel omhanden, want ik heb besloten om geen nachtromans meer te schrijven. Ach, iedereen heeft het wel gehad met die nachtromans van mij, het zijn er gewoonweg te veel, en ik wil nu alleen nog maar dichter worden, maar nu nog niet, nog even wachten tot het eerste gedicht zich aanbiedt als een kogel die m’n brein in tweeën splijt. Ik blijf maar luisteren naar ‘Streets’, en het drumwerk is heel goed, en ineens, voor de duizendste keer, wilde ik dat ik een drummer was van een groep, en die groep staat op het podium, en het publiek van een miljoen mensen gebaart bijna ongemerkt naar mij dat het me graag ziet.